Heesakkers Wijn
Italiaanse Wijn
Wijnhuizen
Wijn Weetjes
Wijn Weetjes

Op deze pagina kunt u allerlei wijnwetenswaardigheden lezen. Sommige zullen u bekend in de oren klinken, andere geven u een andere kijk op het drinken van wijn.

Wijnetiquette

  1. Goed bericht: slurpen mag als je wijn proeft. Minder goed bericht: dat mogen alleen beroepsproevers. Die moeten wel slurpen omdat ze de wijn dan goed door hun mondholte kunnen laten rollen. Alleen dan kunnen ze goed proeven.

  2. Pak je glas altijd bij de steel vast. Anders wordt de inhoud van je glas veel te warm. Bovendien kun je dan je glas goed tegen het licht houden en kijken naar de kleur van de wijn. Natuurlijk niet om te kijken of er witte of rode wijn in je glas zit, want dat zie je zo wel. Maar je moet voortaan maar eens opletten hoeveel verschillende kleuren rood er bestaan. Sommige wijnen zijn dieprood (purper) en andere zijn heel licht en doorschijnend.

  3. Begin nooit met drinken als de anderen nog niet van hun wijn gedronken hebben. Het is gangbaar om eerst met zijn allen te toasten en daarna pas een slok te nemen.

  4. Veeg bij het eten voor iedere slok je mond af met een servet. Anders komen er alleen maar vetvlekken op je glas en dat staat zo slordig.

  5. Wijn is geen limonade. Zet daarom je glas na iedere slok weer even neer.

Deze regels zijn natuurlijk niet verplicht. Maar als je je eraan houdt, zullen veel mensen denken dat je een wijnkenner bent.


Wijnhistorie/geschiedenis van wijn

De geschiedenis van de wijnbouw gaat duizenden jaren terug. Het is een bijzonder rijke geschiedenis. Immers, wijn is van het prille begin af aan nauw verbonden geweest met cultuur in de breedste zin des woords. Met eten en drinken, met religie, met kunst, maar ook met de vormgeving van het landschap. Anders gezegd: wijn is een cultuurhistorisch fenomeen bij uitstek. Maar hoe interessant ook, de geschiedenis van de wijnbouw vertoont een parallel met het verloop van de technische geschiedenis in het algemeen. Na een langzame ontwikkeling gedurende eeuwen zal de 19e eeuw plotseling een grote sprong voorwaarts te zien geven op het vlak van kwaliteit. En meer nog dan de 19e is het de tweede helft van de 20e eeuw geweest waarin de wijnbouw wereldwijd een even ingrijpende als adembenemende verandering heeft ondergaan. Als gevolg daarvan zijn er nooit eerder zo veel goede wijnen geproduceerd als juist nu! De geschiedenis van een wijn in zevenmijlslaarzen.

Hoe het begon

Wijnbouw is naar alle waarschijnlijkheid ontstaan in het Nabije Oosten, in Mesopotamië of in de Kaukasus. Daar ontdekte men dat men de vruchten van een wilde kruipplant tot een roesverwekkende drank kon laten vergisten. Door die wilde plant te veredelen en te geleiden werden de resultaten steeds beter. De wijnbouw begon zich al spoedig te verspreiden over Klein Azië en Griekenland, en, door toedoen van Phoeniciërs en Grieken, langs de kusten van Zwarte en de Middellandse Zee.

Zoals bekend wordt wijn in de Bijbel op talloze plaatsen vermeld. Bijna altijd gebeurt dat in positieve zin, met als beruchte uitzondering de dronkenschap van Noach. Wellicht de meest tot de verbeelding sprekende vermelding is die in Johannes 2, gewijd aan Jezus' eerste wonder. Hij veranderde op de bruiloft te Kana immers water in wijn. En niet zomaar wijn!

Romeinse beschavingsdrang

Voor de verspreiding van de wijncultuur in het grootste deel van Europa zijn de Romeinen verantwoordelijk geweest. Als bezetters weliswaar, maar toch. Vrijwel alle klassieke Europese wijngebieden hebben hun ontstaan aan hen te danken, van Bordeaux tot Roemenië en van Catalonië tot de Moezel. Zij waren ook de eersten die bepaalde wijnen met naam en toenaam vermeldden, met als beroemdste de Falerner. Het ging overigens wel vaak om wijnen die met allerhande middelen 'op smaak' gebracht waren. De kennis van de wijnmakers stond in deze tijd namelijk op een laag peil, althans gezien naar de maatstaven van vandaag. Hoe men een wijn op een natuurlijke manier kon conserveren wist men niet. Toevoeging van honing, kruiden (à la glühwein) of hars (zoals nog altijd in retsina!) bood echter uitkomst.

Met dank aan de monniken

Na de ondergang van het Romeinse rijk volgde een periode van grote turbulentie, met invallen van Hunnen en volksverhuizingen. De wijnbouw heeft deze 'duistere' periode enkel kunnen overleven dankzij de inspanningen van kloosters. In de christelijke eredienst kon men niet zonder wijn, dus er rustte op de monniken een bijna heilige plicht om de kennis van het wijnmaken te bewaren. Ze hebben dat tot eind 18e eeuw gedaan!

Vanaf de 9e eeuw, toen de wijnliefhebbende keizer Karel de Grote (Charlemagne) het in een groot deel van West Europa voor het zeggen had, kwam de expansie van de wijnbouw goed op gang. Hij stimuleerde de bouw van nieuwe kloosters en daarmee de verbreiding van de wijnbouw in delen van het huidige Duitsland en Frankrijk. In de Bourgogne bijvoorbeeld, waar een van de beroemdste witte wijngaarden nu zijn naam draagt, Corton-Charlemagne.

Weer wat later droeg de opkomst van de steden en de burgerij bij tot een verdere bloei van wijnbouw en wijnhandel. Mede dankzij een tijdelijke opwarming van het klimaat in Europa bereikte de aanplant van druivenstokken rond 1500 zelfs een recordomvang. Ter illustratie: in Duitsland was in die tijd drie keer zo veel wijngaard aangeplant als tegenwoordig!

Schepen en flessen

Rond 1600 deed zich een interessant verschijnsel voor. Hollanders en Engelsen gingen zich toen op grote schaal bezighouden met de internationale wijnhandel. En ze gingen in hoge mate bepalen wat voor wijn een streek diende te produceren. Zie de Beneden-Loire en Muscadet, zie Cognac, Bergerac, Bordeaux, Port, Jerez? Marktgericht denken in de wijnbouw is van alle tijden.

Tot in de 18e eeuw werd alle wijn getransporteerd en bewaard in vaten. De bewaarmogelijkheden waren daardoor uiterst beperkt. Het gebruik van goed afsluitbare flessen zou daar echter verandering in brengen. Het zal geen verbazing wekken dat die flessen vooral gebruikt werden voor topwijnen. Daartoe behoorden onder meer de wijnen van de huidige Premiers Crus in Bordeaux, met voor op château Haut-Brion. Flessen werden in die tijd met de mond geblazen. Met een keer uitblazen kon een glasblazer een fles vormen met een inhoud van ongeveer 75 centiliter. Later zou dit de standaardmaat worden.

Ondertussen had men in Midden Europa en in Duitsland ontdekt dat een late oogst in combinatie met edele rotting (botrytis) fantastische zoete wijnen kan opleveren. En in de Champagne ontwikkelde men een procédé om wijn met bruisende belletjes te maken?

Tegenslagen en vooruitgang

De 19e eeuw was voor de wijnbouw de eeuw van de van grote hoogte- en dieptepunten. Het was de eeuw van de drie grote plagen, oïdium, meeldauw en phylloxera, alle afkomstig uit Amerika. Vooral de gevolgen van de druifluis, phylloxera vastatrix, in het laatste kwart van de eeuw, waren zeer ingrijpend. Deze luis tast de wortels zo zeer aan dat de planten sterven. In heel Europa dreigden wijngaarden voorgoed te verdwijnen bij gebrek aan effectieve bestrijdingsmiddelen. De enige remedie bleek - en is nog steeds - het enten van Europese druivenplanten op resistente Amerikaanse (!) onderstokken. Als gevolg van de phylloxera veranderde de Europese wijnbouw ingrijpend. Hele gebieden verdwenen, andere werden met nieuwe druivensoorten heraangeplant. Soms met betere, soms met productievere? Ook worden nieuwe gebieden ontwikkeld om de schade te compenseren. Zie bijvoorbeeld de Languedoc en Algerije. En zie Rioja, waar wijnmakers uit Bordeaux hun toevlucht zochten.

De 19e eeuw is ook de eeuw van de techniek en industrialisering. De groei van de steden en de aanleg van spoorwegen veroorzaakten nieuwe behoeften en mogelijkheden.

Wijngebieden die eerder slechts voor eigen behoefte hadden geproduceerd veranderden door de ontsluiting plotseling in regio's met nationale betekenis. De Languedoc is in dit opzicht al weer een schoolvoorbeeld. In de 19e eeuw is ook de grondslag gelegd voor de moderne oenologie, de wetenschap van de wijnbereiding. Dat gebeurde door de Franse geleerde Louis Pasteur. Van de vele ontdekkingen die hij deed is die van het hoe en waarom van de alcoholische gisting wellicht de belangrijkste.

Herkomst doet er toe

Eind 19e begin 20e eeuw groeide het besef dat namen van herkomstgebieden beschermd moesten worden tegen misbruik. In Frankrijk resulteerde dat in <metricconverterw:stonproductid1935 in>1935 in de creatie van appellations d'origine contrôlées. Weliswaar waren eeuwen eerder al individuele gebieden als Chianti en de Douro (de portstreek) door regelgeving afgebakend en beschermd, op nationaal vlak had Frankrijk de primeur. Andere landen zouden dit voorbeeld volgen.

Het belang van individuele eigenschappen van een wijn is in de loop van de 20e eeuw alleen nog maar groter geworden. Behalve het herkomstgebied werd ook de naam van de producent een indicatie voor de kwaliteit. Na de Tweede Wereldoorlog ging de individuele, zelf bottelende producent geleidelijk aan de plaats innemen van de handelshuizen die in de regel verschillende basiswijnen, afkomstig van diverse producenten, mengden tot één standaardwijn. Dit betekende automatisch een grotere diversiteit in het aanbod.

De 20e eeuw is, meer nog dan de 19e, de eeuw van de techniek geweest. Zowel in de wijngaard als in de kelder. Trefwoorden: rationalisatie, mechanisatie, controle van het totale productieproces. Zo lang techniek geen doel op zich is, maar dient als ondersteuning van wat de natuur te bieden heeft - het terroir (bodem, klimaat, ligging) - en van de intuïtieve creativiteit van de wijnmaker, dan is dat een goede zaak. Dankzij beter wijngaardbeheer zijn de opbrengsten fors gestegen. In de kelder hebben het gebruik van roestvrij staal en temperatuurcontrole gezorgd voor een gemiddeld veel hoger kwaliteitsniveau. De Nieuwe Wereld heeft in dit opzicht de Oude de weg gewezen.

Opkomst van de Nieuwe Wereld

De Nieuwe Wereld is de verzamelnaam voor al die wijnlanden die buiten Europa en het Middellandse Zeegebied liggen. Nieuw is in dit geval een vrij betrekkelijke term, want tal van landen kennen een wijnbouwgeschiedenis die een paar eeuwen oud is. De introductie van de wijnbouw gebeurde door de Spanjaarden in hun kolonies in Zuid- en Midden-Amerika, door de Nederlanders in Zuid-Afrika, en door de Engelsen in Noord-Amerika en Australië. Maar, ere wie ere toekomt, Fransen, Italianen en Duitsers waren meestal de echte pioniers op het gebied van het daadwerkelijke wijnmaken. In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond er in landen als Australië, Chili en Californië zoiets als een wijnindustrie met enige omvang. De productie was meestal alleen voor de lokale behoefte en de warmte in sommige landen van invloed op de stijl van de wijnen. Die waren vaak alcoholisch en zoet. Net als in Europa kende men ook de nodige ups en downs, met als beruchtste voorbeeld de Drooglegging in Amerika.

De internationale doorbraak is pas van recente datum. De opkomst van de Nieuwe Wereld begon pas eind jaren '70 begin jaren '80. Daarna is het stormachtig gegaan, en wel met fruitige, droge wijnen. Door toepassing van technische middelen kon men namelijk wijnen gaan produceren die voldeden aan de internationale smaak. Marktgericht, niet gehinderd door tradities en regels. Herkomstbenamingen zijn enkel geografisch bepaald, zonder verdere voorschriften met betrekking tot de manier van wijnmaken. Men kan dus naar hartelust experimenteren.

In de regel brengen producenten in de Nieuwe Wereld voor de consument makkelijk herkenbare varietal-wijnen, d.w.z. gemaakt van één bepaalde druivensoort. In Europa heeft dit concept inmiddels ook op brede schaal ingang gevonden. Omgekeerd is de meest recente trend buiten Europa er een waarbij de herkomst van de wijn steeds belangrijker wordt. Of: hoe terroir en techniek elkaar prima aanvullen.